Intellectueel eigendom

Het is voor de beginnende tekstschrijver nuttig om zich in te lezen in intellectueel eigendomsrecht. Niet alleen zodat hij weet wat zijn eigen rechten zijn, maar ook om te voorkomen dat men straks met een rechtszaak wordt opgezadeld. 

Het intellectuele eigendomsrecht (IE-recht) behoort tot het privaatrecht en is onder te verdelen in Auteursrecht en Industriële eigendom. Auteursrecht heeft betrekking op persoonsgebonden creatieve prestaties en industriële eigendom op commerciële producten en diensten. Andere rechten die onder het IE-recht vallen zijn bijvoorbeeld het Databankrecht, het Chipsrecht, het Handelsnaamrecht, het Kwekersrecht, het Merkrecht, het Modelrecht, het Softwarerecht en het Octrooirecht.

Brede werking
Intellectueel eigendom geldt voor alle creatieve werken en dus niet alleen voor teksten zoals vaak gedacht wordt. Als schrijver hebben we het meest te maken met auteursrecht. Artikel 1 van de Auteurswet geeft het als volgt weer: “Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken of te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen bij de wet gesteld.” Het heeft betrekking op bijvoorbeeld foto’s, films/videos (niet alleen het eindproduct, maar ook scripts en scenario’s), kunstwerken, en meer.

Bescherming van eigen werk
Auteursrecht ontstaat volgens de wet automatisch zodra je als tekstschrijver een oorspronkelijk werk schrijft. Als je jouw gedachten op papier hebt gezet, is er een oorspronkelijk werk ontstaan. Belangrijk is natuurlijk wel dat het eigen werk betreft. Wanneer je stukken letterlijk overneemt, maak je inbreuk op andermans auteursrecht, pleeg je plagiaat.

Belangrijk is ook dat anderen kennis kunnen nemen van jouw oorspronkelijk werk. Je creatie moet zintuiglijk waarneembaar zijn, dus te zien, te lezen of te horen zijn. Een gedachte in jouw hoofd kan daarom niet beschermd worden, maar als deze gekrabbeld staat op de achterkant van een kassabon wél. Als je bijvoorbeeld jouw Magnum Opus schrijft en het manuscript vervolgens in je bureaula laat liggen, is het niet zintuiglijk waarneembaar en niet openbaar en kun je het auteursrecht niet laten

gelden. Een essentieel onderdeel van auteursrecht is namelijk dat het ook een recht is tot exclusieve openbaarmaking en verspreiding. Alleen jij mag jouw werk openbaar (laten) maken en vanaf dat moment kunnen anderen er kennis van nemen en gaat het auteursrecht in.

Overdracht
Als schrijver heb je automatisch het intellectuele eigendom als je een werk maakt, behalve als je in loondienst een stuk schrijft. In dat geval gaat het eigendom automatisch over naar je werkgever. Als freelance tekstschrijver heb je altijd het intellectueel eigendom en dus het exclusieve recht op verspreiding en openbaarmaking van je teksten, ook al heb je die tegen betaling en in opdracht geschreven. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier uitsluitend om de inhoud van een tekst. Er rust geen auteursrecht op jouw geheel eigen schrijfstijl. Iedereen mag jouw stijl of methode gebruiken of zich erdoor laten inspireren.

Je kunt je rechten op een tekst wel overdragen. Feitelijk doe je dat automatisch in een beperkte vorm als je Tekstnet-leveringsvoorwaarden gebruikt. Je geeft daarbij een gebruiksrecht: een licentie voor eenmalig gebruik in een bepaald medium. Je kunt het auteursrecht ook gedeeltelijk of helemaal overdragen aan een opdrachtgever die dan juridisch de verkrijger wordt genoemd.

Overdracht moet schriftelijk met een overdrachtsakte gebeuren (zie figuur). Dit is een zogenaamde onderhandse akte waarbij inzet van een notaris niet nodig is. De overdrachtsakte mag ook elektronisch, mits een duurzaam formaat zoals PDF wordt gebruikt en er een digitale handtekening op staat. In de praktijk is dit voor de gemiddelde computergebruiker nog onhaalbaar. Bovendien is ondertekening door beide partijen vereist.

Zo kan zo’n overeenkomst eruit zien:

overeenkomst

Persoonlijkheidsrechten
Let wel: het betreft hier overdracht van het auteursrecht, niet van het daadwerkelijk eigendom van je geestelijk product. Je behoudt altijd je persoonlijkheidsrechten op je werk. De koper mag er niet zomaar allerlei wijzigingen in aanbrengen. In de praktijk wordt die soep niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend, maar het is toch nuttig om je afspraken goed te regelen. Je kunt bezwaar maken als iemand anders je tekst zonder overleg verandert of doet alsof deze door iemand anders is geschreven. Of als je vindt dat je tekst verminkt is of geplaatst wordt in een heel andere context. Je wilt bijvoorbeeld toch niet dat jouw werk voor een politiek doel wordt gebruikt waar je helemaal niet achter staat. Zeker niet als de strekking van jouw werk aan dit doel is aangepast en zonder dat jij dat wilt eronder is blijven staan.

Licentie
Bij een licentie mag je voor iedere herplaatsing opnieuw een vergoeding in rekening brengen. De discussie over hoeveel dat dan mag zijn is lastig omdat er allerlei zaken meespelen, niet in de laatste plaats je eigen opvatting over het geleverde werk. Een redelijke vergoeding ligt ergens tussen de 30-50% voor herplaatsing of aanvullende plaatsing in een ander medium. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van je tekst zowel in een tijdschrift als op de bijbehorende site.

Veel tekstschrijvers gaan ervan uit dat ze een product verkopen waarvoor ze zich eenmalig (goed) laten betalen. Daar zit iets in. Als je een auto koopt betaal je naast een heleboel belasting de kosten van het ontwerp en de productie. Het gaat daarbij niet alleen om gemaakte uren, maar ook om materialen. Wat je niet doet, is de fabrikant iedere keer betalen als je in de auto gaat rijden. Feitelijk is een tekst een gewoon product en zou je aan eenmalige faire betaling voldoende moeten hebben en zou je van herhalingsaankopen moeten kunnen uitgaan. In die faire prijs zit hem echter de kneep. Door de moordende concurrentie in ons vak staan de prijzen onder druk en is de verhouding tussen noodzakelijk tijdsbeslag voor ons kwalitatief hoogwaardig werk en de vergoeding daarvoor steeds vaker zoek.

Ook leverancierstrouw brokkelt af, terwijl de eisen aan ons product steeds hoger worden en we daarvoor niet meer betaald krijgen. Van een faire prijs is dus steeds minder sprake, maar zolang er nog vele honderden mensen zijn die voor een appel en een ei een tekstje in elkaar willen flansen, is een eerlijke verhouding tussen product en betaling lastig te bereiken, laat staan dat je afspraken kunt maken over betaling bij herplaatsing. Sommige uitgevers gaan nog een stapje verder en stellen een eenzijdig contract op waarbij je rechten als tekstproducent nihil zijn. Het is dan slikken of stikken. Kortom: de licentie is een heet hangijzer.

Je kunt je tekst voorzien van een open licentie. Dan behoudt je alle rechten als maker maar geef je anderen vooraf toestemming om deze te gebruiken op de manieren die jij toestaat. Hiervoor is een aantal standaardlicenties ontwikkeld die je kunt vinden op de website van Creative Commons.

Gebruik informatie van derden
Je weet nu dat auteursrecht berust op oorspronkelijk werk en dat je het exclusieve recht hebt op openbaarmaking. Betekent dit nu dat je in je werk nooit gebruik kunt maken van andermans werk? Nee, dat is niet het geval. Veelal word je op het idee gebracht voor een artikel als je ergens iets leest of gebruik je diverse bronnen uit binnen- en buitenland om een artikel gestalte te geven. Als je dat in je eigen woorden doet is er geen probleem. Dat ontstaat pas als je letterlijk teksten overneemt. In dat geval citeer je en geldt het citaatrecht. Voor alle duidelijkheid: een citaat beslaat niet vele pagina’s, maar slechts een beperkt tekstgedeelte. Er is geen richtlijn hoe beperkt dat is, maar meestal betreft het een belangwekkende uitspraak, dus een aantal regels. Citaten moeten echt dienen om een mening of nieuwsbericht te verduidelijken. Afbeeldingen of stukken tekst die weinig tot niets verduidelijken en die slechts bedoeld zijn om de publicatie ‘interessanter’ of visueel aantrekkelijker te maken, vallen niet onder het citaatrecht.

Bronvermelding
Het gebruik van citaten is aan regels gebonden. Er mag niet meer dan strikt nodig is voor het doel worden geciteerd. Het citaat moet zo getrouw mogelijk (bij voorkeur zelfs letterlijk) zijn en je moet altijd de bron vermelden. Dat kan op verschillende manieren. Je kunt de bron in de broodtekst vermelden. Bijvoorbeeld: De Oostenrijkse psycholoog Johannes Körting omschrijft in zijn boek “Menschen” een meervoudige persoonlijkheid als volgt: “…citaat…”. Deze vorm kies je als je bij uitzondering een citaat gebruikt en je werk populair wetenschappelijk of (gedeeltelijk) fictie is. Als je in je intro over het Nederlandse rivierenlandschap begint met het bekende gedicht ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman, is bronvermelding netjes maar eigenlijk overbodig omdat dit gedicht deel uitmaakt van ons nationale erfgoed en iedereen het dus globaal kent.

Bij meer wetenschappelijk werk is verwerken van de bron in de broodtekst ondoenlijk omdat je meestal veel citaten gebruikt. Je volstaat dan met: Johannes Körting (1) over meervoudige persoonlijkheid: “…citaat…”. In de voet- of eindnoot geef je dan een uitgebreide bronvermelding,

bijvoorbeeld als volgt:

(1) Körting, Johannes, Menschen (1981), Saar Verlag, Salzburg, tiende druk 2011. ISBN (xxxxxxxxx), pag. 176. 

Weet je het jaar van – oorspronkelijke – uitgave niet zeker, dan kun je het jaartal tussen [ ] plaatsen. Bij oudere boeken (voor 1970) is er geen ISBNnummer. Zo’n nummer ontbreekt soms bij tijdschriften en andere periodieke publicaties, vooral als die van voor 1975 zijn. Daarna wordt een ISSN-nummer vermeld op de omslag en/of in de colofon.

Afwijkende noteringen komen voor en dat doet eigenlijk niet ter zake, als je maar zo volledig mogelijk bent. Belangrijk is dat lezers desgewenst kunnen opzoeken waaruit je het citaat hebt gehaald en of je het niet uit het verband hebt gerukt. De genoemde gegevens zijn wel noodzakelijk, want een onvolledige bronvermelding maakt je citaat verdacht en jezelf kwetsbaar omdat de indruk van onzorgvuldige omgang met het citaatrecht kan ontstaan. Als de bronvermelding ontbreekt, is je stuk plagiaat en dat is wettelijk strafbaar.

Als het auteursrecht is verlopen, mag het werk wel vrij worden gebruikt. Desondanks kan er dan nog steeds sprake zijn van plagiaat als de oorspronkelijke auteur niet wordt vermeld en je het stuk als eigen werk presenteert. Gids voor tekstschrijvers 2015 48

Wat doe je nu als een auteur niet te achterhalen is? In dat geval verwijs je naar de uitgave waaruit je citeert en duid je de onbekende auteur aan met Anon (Anoniem) of N.N.

Vrije bronnen
Overigens geldt auteursrecht op bronnen niet altijd. Belangrijk is daarbij het algemeen belang. Zo zijn op wet- en regelgeving geen auteursrechten van toepassing en mag iedereen die vrijelijk gebruiken. Dat geldt ook voor de meeste andere overheidsinformatie zoals de handelingen van het parlement en openbare stukken van het gemeentebestuur. Op sommige raadstukken berust een geheimhoudingsclausule, bijvoorbeeld als financiële stukken of belangen van derden in het geding zijn. Die stukken zijn dus niet openbaar en dus wel beschermd, alleen niet op grond van de auteurswet.

Databases
Ook databanken (papier en elektronisch) zijn beschermd. Er is geen sprake van een creatief en oorspronkelijk product, want het betreft een gegevensverzameling en dus volstaat het gewone auteursrecht niet. Daarom is er aanvullende wetgeving gemaakt. Het databankenrecht regelt het intellectueel eigendom van databanken en geeft de maker een beperkte bescherming. De databank zelf is niet beschermd , maar wel het werk dat erin gestopt is: er moet sprake zijn van een substantiële investering in de samenstelling van de gegevens en/of het onderhoud. De maker heeft gedurende 15 jaar het alleenrecht op het kopiëren, verspreiden, tentoonstellen en anderzijds openbaar maken of reproduceren. Hij heeft daarmee niet automatisch het auteursrecht op alle dingen in de databank, hij is alleen rechthebbend op de verzameling als zodanig. Het ontbreekt mij aan gegevens om het belang hiervan voor tekstschrijvers te onderscheiden.

Websites/multimedia
Als producent van multimedia-uitingen heb je ook te maken met vormgeving, animaties en muziek. Ook daaraan zijn regels verbonden. Voor vormgeving zijn die globaal hetzelfde als voor gedrukte media. Je koopt de rechten van een ontwerp af omdat je anders nooit helemaal eigenaar wordt van je product. De vormgever kan de auteursrechten overdragen, maar zijn of haar persoonlijkheidsrechten blijven bewaard. Je kunt bijvoorbeeld niet zonder overleg de gekozen kleur van het site-ontwerp veranderen.

Animaties of filmpjes mag je nooit zonder toestemming downloaden en in je eigen productie plaatsen, tenzij er een licentiemogelijkheid is door creative commons. Dit kan bijvoorbeeld als je een site bouwt waarin je wilt laten zien hoe je apparatuur uit elkaar haalt voor reparatiedoeleinden. De vraag is of je openbaar werk van anderen in een commerciële productie moet tonen. Je wilt jezelf immers onderscheiden en daarbij hoort uniek beeldmateriaal.

Symbolen
Als je auteursrecht op iets hebt, dan kun je dit tonen door het copyrightteken (©) aan te brengen op je publicaties. Ook voor het auteursrecht op geluid bestaat een symbool (een p in een cirkel. Kennelijk komt dit weinig voor want het symbool zit niet standaard in de tekenset van tekstverwerkers. Bij het merkenrecht kun je aangeven dat je een handelsmerk geregistreerd hebt. Dit doe je met een ®. Bij buitenlandse merken wordt dit vaak aangeven met het Trade Mark-teken™. Het gebruik van deze tekens is niet verplicht. Je laat daarmee alleen maar zien dat je jezelf bewust bent van je recht, maar dan moet je wel daadwerkelijk geregistreerd zijn, want anders is het misleiding. Een leuk bijkomend voordeel is wel dat anderen vaak denken dat de tekens een wettelijke bescherming zijn.

Einde intellectueel eigendom
De eigendomsrechten zijn niet eeuwigdurend. Ze eindigen 70 jaar na het overlijden van de maker. Het ontslaat echter gebruikers niet van bronvermelding bij gebruik. Als het werk anoniem of onder een pseudoniem is verschenen, of als de rechten bij een rechtspersoon liggen, is de beschermingstermijn 70 jaar na eerste publicatie. Bij (jouw) overlijden erven de erfgenamen of anderen die door de auteur zijn aangewezen automatisch het eigendomsrecht. Wanneer meerdere auteurs samen een werk hebben gemaakt (medeauteurschap), geldt het auteursrecht tot 70 jaar na de dood van de medewerker die het langst leeft. Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de duur van het auteursrecht zeventig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op legale wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien het pseudoniem duidelijk verwijst naar de identiteit van de auteur of indien deze auteur zich kenbaar heeft gemaakt, gelden de gewone vervalregels.


Dit is een bijdrage van Leon van den Berg uit de Gids voor tekstschrijvers van Tekstnet.