Sluit je aan bij Tekstnet!

Het Ambtelijk Woordenboek

Dit digitale Ambtelijk Woordenboek verklaart honderden ambtelijke termen. Het is gemaakt voor tekstprofessionals en ambtenaren die helder willen schrijven én voor mensen die documenten van de overheid niet begrijpen. Het woordenboek is samengesteld door Wouter de Koning.

Ambtelijk Woordenboek

Een korte toelichting bij de drie rubrieken:

Moeilijk (M)

Moeilijke woorden. Zoek op wat ze betekenen. Of maak het je lezer makkelijk door een eenvoudiger woord te gebruiken (rechts van de ambtelijke term).

Ouderwets (O)

Ouderwetse woorden die niet iedereen nog kent. En de moderne varianten.

Puistwoorden (P)

Jakkes. Sommige woorden moet je gewoon niet gebruiken. Ze zijn lelijk en verpesten de hele tekst. Daarom zijn te vergelijken met puistjes. Knijp ze zo snel mogelijk uit de tekst en gebruik de eenvoudige synoniemen.

A
aan de hand van[o.] 1. met; 2. door
a priori[o.] vooraf
aandachtig[o.] goed
aangaande[o.] over
aangezien[o.] omdat
aanmerkelijk[o.] 1. groot; 2. belangrijk; 3. vrij sterk
aansturen[m.] 1. leiding geven; 2. sturen
aantrekken (personeel)[m.] mensen in dienst nemen
aanvang[o.] 1. begin; 2. start
aanvankelijk[o.] 1. eerst; 2. eerder
aanvliegen[p.] 1. benaderen; 2. aanpakken
abusievelijk[m.] 1. per ongeluk; 2. door een vergissing
accentverleggingen[m.] 1. op andere dingen letten; 2. nadruk leggen op; 3. stoppen
acceptatie[m.] goedkeuring
accommodatie[m.] 1. gebouw; 2. locatie
accorderen[m.] instemmen met
achten[o.] 1. vinden; 2. van mening zijn
achttal[o.] acht
activiteiten voortzetten[o.] doorgaan
actualiseren[p.] 1. aanpassen; 2. moderniseren
acuut[m.] 1. direct; 2. onmiddellijk
ad[o.] 1. van; 2. tegen een bedrag van
ad hoc[o.] 1. direct; 2. plaatselijk; 3. tijdelijk
additioneel[m.] 1. toegevoegd; 2. extra
adequate[m.] 1. passend; 2. juist
adhesie[m.] 1. instemming; 2. steun
adhesie betuigen[m.] 1. instemmen; 2. steunen
adstrueren[m.] 1. verduidelijken; 2. toelichten; 3. bewijzen
afdoening[o.] 1. afhandelen; 2. afsluiten
affirmatief[m.] bevestigend
afgezien van[o.] behalve
afronden[p.] 1. afmaken; 2. beëindigen
aftikken[p.] 1. controleren; 2. beëindigen
afvloeiing[m.] vermindering
al dan niet[o.] 1. of; 2. wel of niet
aldaar[o.] 1. daar; 2. op die plaats
aldus[o.] 1. zo; 2. op die manier
alloceren[m.] toewijzen
alom[o.] overal
als gevolg van[o.] door(dat)
als ware[o.] 1. als; 2. alsof
als zodanig[o.] zo
alsdan[o.] 1, dan; 2. alleen dan
alsmede[o.] 1. ook; 2. en
alvorens[o.] voordat
ambivalent[m.] 1. dubbel; 2. twijfel
amendement[m.] wijziging in officiële (wet)tekst
amotie[m.] sloop
amoveren[m.] slopen
ampel[m.] uitgebreid
analoog aan[m.] 1. zoals; 2. vergelijkbaar met
anciënniteit[m.] 1. rangorde; 2. plaats op wachtlijst (hoger of lager)
andermaal[o.] 1. opnieuw; 2. weer
anderzijds[o.] aan de andere kant
animo[m.] belangstelling
annonce[m.] aankondiging
anticiperen[m.] 1. verwachten; 2. vooruit lopen op
appellant[m.] 1. partij die in hoger beroep gaat; 2. protesterende
appelleren[m.] 1. in hoger beroep gaan; 2. protesteren
appelleren aan[m.] 1. een beroep doen op; 2. aanspreken
autonoom[m.] 1. zelfstandig; 2. onafhankelijk
B
beduidend1. nogal; 2. aanzienlijk
behelzen[o.] 1. gaat over; 2. bevatten; 3. inhouden
behoefte bestaat aan[p.] 1. (..) is nodig; 2. (..) is gevraagd
behoeven[o.] 1. nodig zijn; 2. willen
behoudens[o.] 1. uitgezonderd; 2. behalve
bekomen[o.] krijgen
belanghebbende[m.] 1. betrokken persoon; 2. betrokkene
beleidsimpuls[p.] 1. goed plan; 2. extra aandacht geven
beleidsintensiveringen[p.] meer geld (uit)geven aan
benchmarking[p.] (prestaties) vergelijken
benevens[o.] 1. en; 2. ook
beogen[o.] bedoelen
berichten[o.] laten weten
bescheiden[m.] 1. papieren; 2. documenten
beslag krijgen[m.] gebeuren
bestendigen[o.] 1. voortzetten; 2. vasthouden
bestrijken[o.] (deze stukken) gaan over
betreffende[o.] 1. over; 2. onderwerp
betreft[o.] 1. over; 2. onderwerp
betrekking hebben op[o.] (deze stukken) gaan over
betuigen[m.] verklaren
bewerkstelligen[m.] 1. zorgen voor; 2. doen
bezien[o.] bekijken
bezigen[m.] 1. doen; 2. aan iets werken
bezoldigd[o.] betaald
bij brief[o.] 1. schriftelijk; 2. met de brief van (..)
bij deze(n)[o.] hierbij
bij gelegenheid[o.] 1. bij; 2. voor
bij wijze van[o.] 1. als; 2. op die manier
bijdrage leveren[o.] 1. meewerken; 2. betalen
bijgevolg[o.] 1. dus; 2. daarom
bilateraal[m.] 1. van twee kanten
binnen het raam van onze voorwaarden[o.] 1. binnen onze werkwijze; 2. wij eisen
black spot[p.] onveilige verkeersplek
blijkens[o.] zoals blijkt uit
bovengenoemde[o.] deze, dit
bovenstaand[o.] 1. deze, dit; 2. wat hierboven staat
branding[p.] reclame (maken)
C
capaciteit[m.] vermogen
casu quo (c.q.)[o.] 1. en; 2. of
categorie[m.] 1. soort; 2. rubriek
cie.[p.] commissie
circa[m.] ongeveer
clausule[m.] 1. bepaling; 2. regel; 3. voorbehoud
clusteren[o.] samenvoegen
cohesie[m.] 1. samenhang; 2. binding
compatibel[m.] 1. uitwisselbaar; 2. verenigbaar
compensatie[m.] 1. vergoeding; 2. schade goed maken
completeren[o.] 1. aanvullen; 2. vol maken
complex[m.] 1. moeilijk; 2. ingewikkeld; 3. gebouw
concept[m.] 1. ontwerp; 2. schets
concipiëren[m.] 1. ontwerpen; 2. schetsen; 3. zwanger worden
concreet[p.] 1. praktisch; 2. duidelijk
conditie[m.] voorwaarde
configuratie[m.] samenstelling
conflictsituatie[m.] 1. ruzie; 2. conflict
conform[o.] 1. volgens; 2. klopt met
consensus[m.] overeenstemming
consistent[m.] 1. logisch; 2. samenhangend,
consolidatie[m.] samenvoegen
constateren[o.] 1. zien; 2. vaststellen
constellatie[m.] 1. samenstelling; 2. stand van zaken
constructief[m.] 1. opbouwend; 2. bruikbaar; 3. nuttig
consultatief[m.] advies vragend
consulteren[m.] 1. raad vragen; 2. hulp zoeken
continueren[o.] 1. doorgaan; 2. handhaven
convenant[m.] 1. overeenkomst; 2. afspraak met (..)
courant[o.] 1. gangbaar; 2. gebruikelijk
creëren[m.] maken
criterium[m.] 1. norm; 2. richtlijn; 3. vereiste
cruciaal[m.] 1. noodzakelijk; 2. belangrijk
cum suis (c.s.)[o.] 1. met partners; 2. en anderen
cumulatief[m.] 1. toenemend; 2. oplopend
curieus[o.] 1. vreemd; 2. merkwaardig
D
daar[o.] omdat
daarenboven[o.] 1. behalve dat; 2. bovendien
dagtekening[p.] datum (van brief)
dan wel[o.] of
danig[o.] 1. nogal; 2. zeer
dankzeggen[o.] bedanken
dat wil zeggen (d.w.z.)[o.] dus
de dato (d.d.)[o.] van (datum)
de facto[o.] in feite
de handen ineen slaan[p.] samenwerken
de mening zijn toegedaan[o.] vinden
decentraal[m.] 1. niet centraal; 2. lokaal
deductief[m.] afgeleid
delegeren[m.] 1. laten doen; 2. machtigen
deregulering[m.] 1. regels afschaffen; 2. versimpelen
derhalve[o.] 1. dus; 2. daarom
derogatie[m.] 1. vertraging; 2. uitstel
derven[m.] mislopen
derving[m.] verlies
desalniettemin[o.] 1. toch; 2. maar
desbetreffend[o.] 1. over; 2. onderwerp
desbetreffend onderwerp[o.] dit
desiderata[m.] wensen
desideratum[m.] wens
desondanks[o.] toch
destijds[o.] toen
deswege[o.] daarom
dezerzijds[o.] 1. ik; 2. wij
dicta[o.] beslissingen
dictum[o.] beslissing
dienaangaande[o.] daarover
dienen[o.] 1. moet; 2. hoort
dienovereenkomstig[o.] (net) zo
dientengevolge[o.] daardoor
differentiëren[m.] 1. onderscheiden; 2. verschillen
discontinu[m.] onderbroken
discrepantie[m.] 1. afwijking; 2. niet logisch
diskwalificatie[m.] afkeuring
distribueren[m.] 1. versturen; 2. verdelen
diversiteit[m.] 1. verschillend; 2. keuze
doch[o.] maar
doen toekomen[o.] sturen
dogmatisch[m.] 1. streng; 2. rechtlijnig
door middel van[o.] 1. door; 2. met
doorgang vinden[o.] doorgaan
doorontwikkelen[m.] verder ontwikkelen
doorpakken[p.] doorgaan
draagvlak[m.] steun
drietal[o.] drie
dusdanig[m.] zo
E
echter[o.] maar
edoch[o.] 1. maar; 2. toch
educatief[m.] leerzaam
een en ander (e.e.a.)[o.] 1. deze; 2. dit alles
een klein aantal[o.] enkele
eerder genoemde[o.] deze, dit
eerst dan[o.] pas (dan)
effectueren[m.] 1. uitvoeren; 2. doen
elders[o.] ergens anders
eliminering[m.] 1. verwijderen; 2. uitschakelen
elkeen[o.] iedereen
enerzijds[o.] aan de ene kant
enige[o.] 1. een paar; 2. enkele
entameren[m.] 1. beginnen aan; 2. aansnijden
epistel[o.] brief
equivalent[m.] gelijk(waardig)
ergo[o.] dus
essentieel[m.] 1. onmisbaar; 2. noodzakelijk
evaluatie[m.] 1. bespreking; 2. beoordeling
evalueren[m.] beoordelen
eveneens[o.] ook
evenwel[o.] toch
evenzo[o.] ook
evident[m.] duidelijk
ex. (artikel)[m.] volgens (artikel)
excerperen[m.] een samenvatting maken
exorbitant[m.] overdreven
expireren[m.] 1. verlopen; 2. vervallen
explicatie[m.] uitleg
expliciet[m.] uitdrukkelijk
exploitatie[m.] gebruik
F
faciliteren[m.] 1. ondersteunen; 2. mogelijk maken
fasegewijs[p.] 1. in delen; 2. in stappen
fiatteren[m.] bekrachtigen
flankerend[o.] 1. daarnaast; 2. extra; 3. bijbehorend
fungeren[m.] 1. dienst doen als; 2. optreden
G
gaarne[o.] graag
garant staan voor[m.] 1. garanderen; 2. beloven
geaccordeerd[m.] goedgekeurd
geagendeerd[m.] staat op de agenda
gecoördineerd[m.] afgestemd
gedurende[o.] tijdens
gedurende de tijd dat[o.] terwijl
geëigend[o.] 1. geschikt; 2. passend
gefaseerd[p.] 1. in delen; 2. in stappen
geïntegreerde aanpak[m.] 1. in één keer; 2. algemene aanpak
geïnvolveerd[m.] betrokken
gelet op[o.] 1. omdat; 2. met het oog op
gelieve te[o.] vervang door werkwoord
gelijk[o.] 1. nu; 2. meteen
gelijkluidend[o.] 1. gelijk; 2. hetzelfde
gelijktijdig[o.] tegelijk
gemeentelijk verordening[m.] regels van de gemeente
gemeenzaam[o.] 1. informeel; 2. alledaags
genereren[m.] maken
genoegzaam[o.] 1. voldoende; 2. algemeen; 3. tevreden
gerealiseerd[m.] gemaakt
gereed[o.] klaar
gerevitaliseerd[m] opgeknapt
geschieden[o.] 1. gebeuren; 2. vervang door werkwoord
geschil[m.] 1. ruzie; 2. conflict
gestructureerd[o.] systematisch
gewaag maken van[o.] 1. melden; 2. bekend maken
gezien het bovenstaande[o.] 1. daarom; 2. met het oog op
gezien het feit dat[o.] omdat
gremium / gremia[m.] 1. overleg(gen); 2. vergadering
grenzend aan[o.] naast
grootstedelijk[m.] in of van de grote steden
H
hangende het besluit[o.] zolang nog niets is besloten
heden[o.] 1. vandaag; 2. nu
heroriëntatie[m.] opnieuw bekijken
het besluit nemen[o.] 1. besluiten; 2. beslissen
het is geboden[o.] het moet
het kan niet worden tegengesproken dat[o.] 1. het is zo; 2. het is waar
het ligt geenszins in de bedoeling dat u[o.] 1. u hoeft niet; 2. ik bedoel niet
het moge duidelijk zijn[p.] 1. het is duidelijk; 2. u weet dat..
het valt te[m.] 1. het kan; 2. we kunnen
het ware te (..) dat[o.] (..) is
hetgeen[o.] 1. dat wat; 2. wat
hetwelk[o.] 1. dat; 2. wat
hiërarchie[m.] rangorde
hiernavolgende[o.] volgende
hieromtrent[o.] hierover
hieronder ressorteren[m.] hieronder vallen
hoewel[o.] (maar) toch
hoofdlijnen[m.] de belangrijkste punten
hoofdzakelijk[o.] vooral
hoogachtend[o.] met vriendelijke groet (alleen niet bij een juridisch conflict)
horizontaal werkverband[p.] samenwerken op één niveau
houdende[o.] met
I
immers[o.] 1. toch; 2. ook; 3. namelijk
implementatie[m.] 1. uitvoering; 2. invoering
implementeren[m.] 1. invoeren; 2. toepassen
implicatie[m.] gevolg
impliceren[m.] 1. betekenen; 2. inhouden
in aanmerking nemen[o.] rekening houden met
in beginsel[o.] 1. eigenlijk; 2. liever
in casu[o.] in het geval dat
in concreto[o.] 1. dus; 2. feitelijk
in de gelegenheid zijn[o.] kunnen
in de nabije toekomst[m.] 1. binnenkort; 2. snel
in de nabijheid van[m.] 1. vlakbij; 2. in de buurt van
in de omstandigheid verkeren[m.] 1. zijn; 2. hebben
in de week leggen[m.] 1. voorbereiden; 2. alvast beginnen
in deze[o.] hierin
in dier voege[o.] 1. zo; 2. op die manier
in gemeen overleg[o.] 1. samen; 2. in overleg met
in goede orde[o.] goed
in het kader van[m.] 1. binnen; 2. om; 3. op basis
in het licht van[o.] daarom
in het merendeel van de gevallen[m.] 1. meestal; 2. bijna altijd
in mindere mate[o.] minder
in overweging nemen[o.] nadenken over
in samenwerking met (i.s.m.)[o.] (samen) met
in situ[o.] 1. ter plekke; 2. meteen
in toenemende mate[o.] steeds vaker
in verband met[o.] 1. door; 2. omdat
in werking stellen[o.] 1. beginnen; 2. starten
in werking treden[o.] 1. (..) geldt vanaf; 2. beginnen
incident[m.] gebeurtenis
incourant[o.] ongewoon
indicatie[m.] aanwijzing
indien[o.] als
inflatie[m.] waardevermindering (van geld)
ingeval[o.] 1. bij; 2. als
ingeval van[o.] 1. bij; 2. als
ingevolge[o.] 1. door; 2. als gevolg van
inhoudelijk[m.] over de inhoud
initiatief[m.] 1. plan; 2. idee
initieel[m.] 1. eerst; 2. om te beginnen; 3. eigenlijk
innovatie[m.] vernieuwing
institueren[m.] 1. instellen; 2. oprichten
institutionaliseren[m.] 1. vastleggen; 2. invoeren
integraal[p.] 1. volledig; 2. helemaal
integreren[m.] 1. inpassen; 2. aanpassen; 3. bij elkaar brengen
intentie[o.] 1. bedoeling; 2. we willen
interoperabel[p.] goed te koppelen; 2. niet botsend
interpretatie[m.] 1. mening; 2. opvatting
interventie[m.] 1. tussenkomst; 2. stoppen
inventarisatie[m.] 1. nagaan; 2. kijken hoeveel er is
inzake[o.] 1. over; 2. rond
item[m.] 1. onderwerp; 2. punt
J
jegens[o.] 1. over; 2. tegenover
jongstleden (jl.)[p.] 1. datum; 2. onlangs
juncto[o.] in verband met
K
kandelaberen[m.] (ingrijpend) snoeien
kennisnemen van[o.] 1. horen; 2. lezen
kerntaak[m.] de belangrijkste taak
kick-off[p.] 1. aftrap 2. opening. 3 feestelijke start
klankboarden[p.] 1. overleggen; 2. praten
kortsluiten[p.] 1. even afspreken; 2. iets onder stroom zetten
krachtens (de wet)[o.] volgens (de wet)
kwalificatie[m.] beoordeling
kwestieus[m.] twijfelachtig
L
laatst(elijk)[o.] 1. pas; 2 op (datum)
landen[p.] 1. begrepen worden; 2. geaccepteerd
langjarig[p.] jarenlang
larderen met[o.] voorzien van
Lectori Salutem (LS)[o.] 1. Geachte; 2. Beste,
leges[p.] 1. geld; 2. kosten
licentie[m] vergunning
lijntjes leggen[o.] verbinden met
litigieus[m.] 1. betwist; 2. twijfelachtig
M
managen[p.] 1. besturen; 2. doen
mandaat[o.] toestemming
manifest worden[m.] duidelijk worden
mede[o.] ook
mededelen[o.] 1. vertellen; 2. schrijven
medio[m.] 1. halverwege (de maand); 2. half
meenemen[o.] 1. onthouden; 2. erbij betrekken
menigeen[o.] 1. veel mensen; 2. velen
merendeels[m.] 1. de meeste; 2. vooral
met als resultaat dat[o.] zodat
met behulp van[o.] 1. met; 2. door
met betrekking tot[o.] over
met de bedoeling dat[o.] 1. om; 2. daarom
met het oog op[o.] 1. om; 2. daarom
met het resultaat dat[o.] zodat
met name[o.] vooral
met referte aan[m.] (ik) verwijs naar
met terzijde laten van[m.] zonder
met weglating van[m.] zonder
middelen[p.] geld
middels[o.] 1. door; 2 met
mijne heren[o.] geachte dames en heren
mijns inziens (m.i.)[o.] ik vind
mits[o.] 1. op voorwaarde dat
mitsdien[o.] daarom
momenteel[o.] nu
monitoren[p.] 1. bekijken; 2. bestuderen; 3. volgen
motie[m.] (politiek) voorstel
motie van wantrouwen[m.] vragen om vertrek van
motiveren[m.] 1. aanmoedigen; 2. redenen geven
mutaties[m.] wijzigingen
N
naar (de mensen / de partijen) toe[o.] voor (de mensen / de partijen)
naar aanleiding van[o.] 1. na; 2. omdat
naar behoren[o.] goed
nader(e)[p.] verder(e)
nagenoeg[o.] bijna
navolgende[o.] volgende
navrant[o.] pijnlijk
negental[o.] negen
neveneffect[m.] 1. onverwacht effect; 2. gevolg
nevenvermelde[o.] 1. deze, dit; 2. hiernaast beschreven
niettemin[o.] toch
nochtans[o.] 1. toch; 2. nu
noodzakelijk[o.] nodig
nopen[o.] dwingen
nopens[o.] 1. over; 2. onderwerp

O
of, en zo ja op welke wijze[m.] 'of, en hoe'
officieus[m.] niet officieel
ofschoon[o.] 1. toch; 2. maar
oftewel[o.] of
om deze redenen[m.] daarom
om niet[o.] gratis
om te komen tot[o.] om
ombuiging[m.] 1. meer of minder geld geven; 2. bezuiniging
omtrent[o.] over
omvangrijk[m.] groot
onbezoldigd[m.] niet betaald
ondanks het feit dat[o.] (maar) toch
onder curatele stellen[m.] 1. laten controleren; 2. toezicht opleggen
onder invloed van[o.] door
onder referte aan[o.] zoals in (verwijzing)
onder verwijzing naar[o.] over
ondergetekende[o.] 1. ik; 2. bij mij
onderhavige[o.] deze, dit
onderscheidenlijk[o.] duidelijk
onderwerpelijk[o.] deze, dit
onderwijl[o.] intussen
ongeacht[o.] of nu wel of niet
ongenoegen[o.] 1. klacht; 2. boosheid
onjuist[o.] 1. verkeerd; 2. fout
onlangs[o.] 1. pas; 2. op (datum)
ontplooien[o.] ontwikkelen
onverlet (dat laat)[o.] 1. dat betekent niet; 2. dat doet niets af aan het feit dat
onverwijld[o.] 1. onmiddellijk; 2. strikt
onzes inziens (o.i.)[o.] wij vinden
oogmerk[o.] doel
oorzaak ligt in het feit[o.] dit komt door
op basis van[o.] 1. daarom; 2. zo
op deze wijze[o.] zo
op een prettige wijze[o.] goede (..)
op grond van het voorgaande[o.] daarom
op het gebied van[o.] 1. op; 2. over; 3. voor
op het huidige moment[o.] nu
op voorhand[o.] 1. eerst; 2. vooraf
op welke wijze[o.] hoe
opstarten[o.] beginnen
opteren[m.] (mogelijk) kiezen
optimaal[m.] zo goed mogelijk
optimaliseren[m.] verbeteren
overeenkomstig[m.] zo
overhead[p.] bijkomende kosten
P
panel[m.] (onderzoeks)groep
paraaf[o.] handtekening
paraferen[o.] handtekening zetten
participeren[m.] 1. meedoen; 2. deelnemen
partieel[m.] gedeeltelijk
peildatum[m.] 1. vanaf (datum); 2. sinds (datum)
per abuis[o.] per ongeluk
per omgaande[o.] 1. meteen; 2. direct
piketpaaltjes slaan[p.] 1. grenzen (leggen); 2. paaltjes slaan
pilot[p.] proef(project)
portefeuille[m.] 1. portemonnee; 2. taken; 3. beleidsterrein
prealabel[m.] voorafgaand
precedent[o.] voorbeeld
precedent(werking)[o.] een (mogelijk verkeerd) voorbeeld
preliminair[m.] voorafgaand
prevaleren[m.] 1. kiezen; 2. voor laten gaan
preventief[m.] om (..) te voorkomen
preventieve maatregelen[m.] acties om (..) te voorkomen
primair[m.] 1. belangrijkste; 2. eerste
principe[m.] 1. keuze; 2. uitgangspunt
prioriteit[m.] voorrang
prioriteitsstelling[m.] volgorde van belangrijkheid
proactief[p.] 1. actief; 2. voorkomen; 3. tegen cholesterol
procedure[m.] werkwijze
procedureel[m.] afgesproken manier van werken
profileren[m.] 1. kenbaar maken; 2. onderscheiden
prognose[m.] voorspelling
prominent[m.] belangrijk
Q
qua[m.] 1. over; 2. rond
quickscan[p.] 1. snel onderzoek op hoofdlijnen; 2. natte vingerwerk
quod non[o.] wat niet waar is
quote[m.] citaat
R
randvoorwaarden[m.] 1. eisen; 2. voorwaarden
rationeel[m.] 1. verstandig; 2. redelijk
reactief[m.] 1. afwachten; 2. te laat; 3. achter de feiten aan
realiseren[m.] 1. (be)halen; 2. bereiken
recentelijk[o.] 1. pas; 2 kort geleden
reces[m.] vakantie(periode)
reclamant[m] 1. de bezwaarmaker; 2. naam
reden daartoe[o.] om(dat)
reductie[m.] 1. vermindering; 2. korting
reeds[o.] al
referentie[m.] verwijzing
refereren[o.] verwijzen
reflecteren[m.] reageren
regarderen[o.] aangaan
regulier[m.] gebruikelijk
relationeel[m.] 1. in relatie tot; 2. binnen
relevant[p.] belangrijk
repliceren[m.] antwoorden
respectievelijk[m.] 1. en; 2. of
respons[m.] antwoord
restricties[m.] 1. beperkingen; 2. grenzen
restitutie[o.] 1. terugbetaling; 2. 'u krijgt (..) euro terug'
resulteren in[m.] leiden tot
resumé[o.] samenvatting
resumerend[o.] samenvattend
retourneren[m.] terugsturen
retourzenden[p.] terugsturen
retributie[m.] bijdrage
revitalisering[m] opknappen (iets)
ruchtbaarheid geven aan[o.] 1. aandacht geven; 2. bekend maken
S
sanctie(s)[m.] maatregel(en)
sanctioneren[m.] goed- of afkeuren
sedert[o.] 1. sinds; 2. vanaf
separaat[m.] 1. apart; 2. los
seponeren[m.] 1. niet vervolgen; 2. laten liggen
shared services[m.] centralisatie
significant[m.] 1. opvallend; 2. statistisch verantwoord
slechts[o.] alleen
specifiek[m.] 1. vooral; 2. in het bijzonder
spin-off[p.] gevolg
stagnatie[m.] vertraging
stakeholder(s)[p.] 1. betrokkene(n); 2. betrokken partij(en)
storneren[m.] terugboeken
stornering[m.] terugboeking
strategie[m.] 1. plan; 2. aanpak
stringent[m.] 1. strikt; 2. streng
structureel[m.] 1. jaarlijks; 2. belangrijk; 3. voortdurend
subsidiaal[p.] kan subsidie krijgen
substantiële[m.] 1. flinke; 2.belangrijke
summier[m.] 1. kort; 2. beperkt
suppletoir[m.] aanvullend
T
tal van[o.] veel
target(s)[p.]  doel(en)
taskforce[p.] 1. werkgroep; 2. projectgroep
te allen tijde[o.] altijd
te onzent[o.] bij ons
te uwe namen[o.] op uw naam
te uwent[o.] bij u
te zijner tijd (t.z.t.)[o.] 1. later; 2. dan; 3. (n)ooit
tegemoet zien[o.] verwachten
temporiseren[p.] uitstel
ten aanzien van[o.] over
ten behoeve van (t.b.v.)[o.] om, voor
ten dele[o.] gedeeltelijk
ten detrimente van[m.] op kosten van
ten gevolge van[o.] door
ten grondslag liggen aan[o.] reden (is)
ten gunste van[o.] voor
ten uitvoer brengen[o.] (laten) uitvoeren
ten vervolge op[o.] na
teneinde[o.] om
tenzij[o.] behalve als
ter bereiking hiervan[o.] om dit te bereiken
ter hand nemen[o.] beginnen
ter hand stellen[o.] geven
ter realisering van dit oogmerk[m.] om (..) te bereiken
terdege[o.] 1. uiteraard; 2. wel; 3. nauwkeurig
terugkoppelen[p.] 1. informeren; 2. doorgeven wat gebeurd of besproken is
terugmelden[p.] melden
terzake[o.] over
tevens[o.] ook
tezamen[o.] samen
thans[o.] nu
tiental[o.] tien
tijdpad[m.] planning
tijdsbestek[m.] 1. tijd; 2. periode
toekomen[o.] sturen
topic[p.] onderwerp
tot beschikking hebben[o.] 1. hebben; 2. bezitten
tot taak hebben[o.] moeten
trachten[o.] proberen
transparant[m.] 1. open; 2. doorzichtig; 3. te controleren
tweetal[o.] twee
U
u gelieve[o.] wij vragen u
uit hoofde van[o.] 1. namens; 2. door
uiteenzetten[o.] 1. bekend maken; 2. uitleggen
uiting geven aan[o.] 1. uiten; 2. zeggen
uitkristalliseren[p.] duidelijk worden
uitstralingseffect[m.] gevolg
uitvoerende[o.] naam (van partij die het werk doet)
uitzetten (van acties)[o.] (laten) doen
ultimo[m.] uiterlijk
universeel[m.] algemeen
urgent[m.] 1. dringend; 2. heeft haast
urgentie[m.] 1. noodzakelijk; 2. haast
uwerzijds[o.] (van) u
V
vacant[m.] vrij
vacaturehoudend[m.] (de plek) waar een vacature bestaat
valideren[m] goedkeuren
valorisatie[m.] kennis eens echt gaan gebruiken
van de zijde van[o.] 1. door; 2. van
van gemeentewege[o.] 1. door de gemeente; 2. door ons
van mening zijn[o.] vinden
van oordeel zijn[o.] vinden
van plan zijn[o.] willen
van start gaan[o.] beginnen
vanwege[o.] omdat
veelvuldig[m.] vaak
verbeterpunten[p.] 1. fouten; 2. verbeteringen
verkiezen boven[o.] kiezen voor
vermogen[m.] 1. kunnen; 2. bezit
verordening[m.] (document met) regels
verstreken periode[o.] afgelopen tijd
vertaalslag[p.] uitwerking (voor)
vertrouwen opzeggen[m.] 1. wegsturen; 2. ontslaan
verwerven[o.] 1. kopen; 2. krijgen
verzuimen[o.] niet doen
viertal[o.] vier
vigeren[m.] gelden
vigerend[m.] geldend
vijftal[o.] vijf
voldoen[p.] betalen
volgaarne[o.] graag
volgtijdelijk[o.] na elkaar
voor het geval dat[o.] als
voor wat betreft[o.] over
voorafgaand (aan)[o.] 1. eerder; 2. vooraf
voorafgaandelijk[o.] vooraf
vooraleer[o.] voordat
vooralsnog[o.] voorlopig
voorhanden zijn[o.] beschikbaar (zijn)
voorhands[o.] voorlopig
voorheen[o.] eerder
voorliggende[o.]  deze, dit
voormelde[o.] deze, dit
voornemen[o.] plan
voornemens zijn[o.] willen
voornoemde[o.] deze, dit
voorshands[o.] voorlopig
voorts[o.] 1. en; 2. ook
voorwaarden scheppen[m.] mogelijk maken
vorderen[m.] eisen
vorenbedoelde[o.] deze, dit
vorenomschreven[o.] deze, dit
vorenstaande[o.] deze, dit
vraagpunt[p.] vraag
vrijwel[m.] bijna
W
waarnemen[o.] zien
watergang[m.] 1. sloot; 2. gracht
wat betreft[o.] over
we wensen[o.] we willen
we zijn niet in de gelegenheid[o.] we kunnen niet
we zijn ons er ten volle van bewust[o.] we weten
weder[o.] weer
wederom[o.] (al)weer
welke[o.] die
werkbaar[m.] praktisch
werkvoorraad[p.] achterstand
werkzaam zijn[o.] werken
weshalve[o.] daarom
wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd[p.] heeft u nog vragen, bel dan gerust met (contactpersoon, nummer)
willens en wetens[o.] 1. bewust; 2. toch
woonachtig zijn[o.] wonen
woonvoorziening[o.] woning
wortelopdruk[p.] de wortels van bomen duwen de stoep/straat omhoog
X
xenofoob[m.] bang voor buitenlanders
Z
zelfredzaamheid[m.] zich kunnen redden
zero-tolerance[p.] 1. streng; 2. geen-pardon
zestal[o.] zes
zevental[o.] zeven
zich beraden[m.] nadenken over
zich verstaan met[m.] 1. spreken met; 2.vergeleken met
zodanig[o.] zo
zodoende[o.] zo
zonder meer[o.] 1. zo maar; 2. gewoon
zonder uitzondering[o.] altijd
zorg dragen[o.] (ervoor) zorgen
zulks[o.] dit
zulks impliceert derhalve[o.] dit betekent